De grafmonumenten

De grafmonumenten waren in deze periode aan strenge regels gebonden; niet alleen de afmetingen werden bepaald, maar er werd sinds 1919 door de Schoonheidscommissie ook toezicht gehouden op de vormgeving van de monumenten, waartoe men een tekening met plattegrond en aanzicht ter beoordeling moest indienen.

Blauwdruk van vak P uit 1915. (Gemeentearchief Maastricht)

Er werden alleen monumenten toegestaan van natuursteen, baksteen of kunststeen en de fundering diende met mergelblokken uitgevoerd worden. Op ieder graf moest de letter van het vak en het nummer van het graf gehakt worden.

De houten kruisen moesten 2 meter hoog en 75 cm. breed zijn en deze mochten alleen in wit of blauwe kleuren geschilderd worden. Op de gewone graven in de biddenvelden mogen geen stenen monumenten geplaatst worden en ook was het verboden om monumentale graftekens in hout na te bootsen. Het plaatsen van graftekens in gegoten ijzer was eveneens verboden.

De meeste graven zijn uitgevoerd naar standaardmodellen van de bekende Maastrichtse steenhouwers: J. Cremers, J. Comuth, J. Delcourt, L.H. Pieters en Severijns: zij verzochten in 1924 om versoepeling van de regels, maar dat werd niet gehonoreerd.

In de jaren twintig vond er nog een beperkte uitbreiding plaats achter de Joodse begraafplaats voor de graven van de socialisten: hier liggen de bekende voormannen van de socialistische beweging maar ook staat er een groot grafmonument voor Hubert Beckers, die in 1929 tijdens de Zinkwitstaking werd gedood.