Eerste uitbreiding

Het ontwerp van Van den Bergh werd gedomineerd door een groot rond plein, dat het middelpunt van een nieuw assenkruis vormde. Voor het ronde plein lag nog een kleiner halfrond pleintje. Aan de oostzijde was het middengebied gereserveerd voor een nieuwe grafkapel, maar deze werd pas in 1885 gerealiseerd op het grote middenplein naar een ontwerp van architect Johannes Kayser. Deze grafkapel is in een rijke neo-gotische stijl uitgevoerd; ze werd gesticht door de familie Clarenboets en stond ten dienste van de vier Maastrichtse parochies uit die tijd: St. Servaas, de O.L.Vrouwekerk, St. Matthias en St. Martinus.

Panorama hoofdas 1812 met links vak C en rechts vak D.

Het nieuwe kerkhof werd op 30 juni 1859 ingewijd door de deken van de St. Servaas in het bijzijn van de Maastrichtse raadsleden. Datzelfde jaar werd ook een nieuwe verordening voor de begraafplaats opgesteld: "Verordening regelende de verdeeling van Stadsbegraafplaats benevens de verhuringen van afzonderlijke graven". Uit deze verordening blijkt dat de begraafplaats in drie delen was verdeeld: een katholiek gedeelte, een protestants gedeelte en een Algemeen gedeelte voor ongedoopte begravingen.

Langs de randen waren nog stroken gereserveerd voor graven van kinderen jonger dan 7 jaren en in de noordoostelijke hoek was een strook gereserveerd voor de ongedoopte kinderen. De verschillende velden werden door hagen gescheiden. Het Joodse grafveld lag nog steeds buiten de ommuring en werd tussen 1853 en 1854 vergroot tot een rechthoekig terrein, ter grootte van de thans nog bestaande omvang.

Langs de hoofdassen lagen de grafkelders en koopgraven die in drie klassen waren ingedeeld: voor eeuwigduren eigendom, voor de huur van 30 jaar en voor de huur van twintig jaren. Het gehuurde terrein moest door de huurder worden afgebakend met hardstenen grenspaaltjes. De eigenaar moest zorgen voor regelmatig onderhoud van de graftekens.

De huurprijs werd bepaald op 12 gulden voor een termijn van 20 jaar en op 24 gulden voor een termijn van 30 jaar! De graven moesten een lengte hebben van 2 el en 25 duimen en een breedte van één el, bij een maximale diepte van twee-en-een-halve el. De graftekens moesten vooraf via een ontwerptekening door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd worden. In de verordening staat niet vermeld hoeveel een koopgraf kost.