Oprichting

Op 3 juli 1805 werd door de Prefect een oprichtingsbesluit genomen voor een nieuwe algemene begraafplaats: het besluit is ondertekend door de secretaris van de Préfectuur J.M. Reintjens, dd. 14 Mesidor de l'an 13.

In een rapport uit februari 1806 bericht de inspecteur van het Departement van de Neder-Maas dat de gemeentelijke begraafplaats op de Blekerij aan de Bogaardenstraat voor een stad met 18.411 inwoners ontoereikend is.
Er vinden jaarlijks rond de 600 begravingen plaats. Het terrein tussen de Bogaardenstraat en de Capucijnenstraat ligt veel te laag; het is er vochtig en in het regenseizoen loopt het terrein soms onder water. In de zomer is het soms te warm en bestaat de kans dat er epidemieën uitbreken, want in de onmiddelijke omgeving staan ook woonhuizen.
In hetzelfde jaar maakt de inspecteur ook de tarieven bekend die door de Minister van de Eredienst, namens Keizer Napoleon zijn vastgesteld voor de grafrechten, de prijzen van doodskisten, de kosten van de dragers en voor het gebruik van een lijkwagen. Zelfs de vergoeding voor het luiden van de doodsklok werd in dit keizerlijk decreet vastgesteld.

In 1806 heeft de Prefect van het Departement met verschillende partijen overleg gevoerd om een moderne Algemene Begraafplaats (Cimétiere Général) buiten de bebouwde kern aan te leggen. Op 17 februari 1806 werd overleg gevoerd over een aanbod van Mevrouw Goddingh uit St. Pieter, die haar tuin aan de voet van de St. Pietersberg wilde verkopen voor de aanleg van een Begraafplaats van Maastricht.

Tegelijkertijd worden ook onderhandelingen gevoerd met H. Nierstrasz over een groot terrein aan de Steenweg naar Tongeren, die in 1804 is aangelegd.

De Maastrichtse Gemeenteraad spreekt zich uit voor de aanleg van een Begraafplaats aan de nieuwe steenweg op de gronden van Nierstrasz, die in de toenmalige gemeente Vroenhoven lagen.
Ruim twee jaren wordt er onderhandeld over de taxatie en opmeting van de gronden en op 9 mei 1809 geeft de gemeenteraad toestemming voor de aankoop van het terrein van Nierstrasz ter grootte van 110 are en van een terrein van 17 are van Hubert Haesen en Elisabeth Janssen uit Wolder.

Inmiddels had de gemeenteraad een jaar eerder de heer Pierre Philippens benoemd tot beheerder van de toekomstige begraafplaats, waarvoor tevens al een Regle¬ment werd vastgesteld: hierin staat ondermeer dat de graven een maximale afmeting van 2 meter bij 80 cm. mochten hebben en dat er tussen de graven een afstand van 30 of 40 cm. moest worden aangehouden. De beheerder werd geassisteerd door de grafdelver Dewilot, die voor ieder gedolven graf één franc zou verdienen. De beheerder kreeg een jaarvergoeding van 300 Francs.

Op 23 december 1811 berichtte burgemeester Coenegracht aan de leden van de Gemeenteraad dat het terrein aan de Tongerseweg voor begravingen in gereedheid was gebracht. Alleen de woning van de grafdelver en de ommuring van het terrein moesten nog uitgevoerd worden. 

Voor deze werken had de Maastrichtse stadsarchitect Jean Francois Soiron een plan opgesteld, waarbij een vierkant terrein van 100 bij 100 meter afgebakend werd met een gracht en een muur van 2,70 meter hoog; in het hart van de muur langs de Tongerseweg was de woning voor de doodgraver gepland.

Plattegrond:

Ontwerptekening voor de aanleg van de begraafplaats aan de Tongerseweg te Maastricht door Jean François Soiron (1809).

Dit ontwerp (GA Maastricht) werd uiteindelijk in aangepaste vorm uitgevoerd.

K=Tongerseweg, L=Hoofdingang, H=Doodgraverwoning